Op 16 februari 2012 presenteerde het UWV het rapport ‘Vacatures in Nederland 2011’. Een opvallende conclusie die in dit rapport wordt getrokken, is dat het aantal mensen dat in 2011 in dienst trad op basis van een vast contract, ten opzichte van 2010 met maar liefst 97% was gedaald.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
In de Tweede Kamer werd dit getal direct gebruikt om te betogen dat werkgevers waren doorgeschoten in het gebruik van de ‘flexibele schil’ door steeds vaker te kiezen voor (ketens van) tijdelijke contracten in plaats van voor vaste contracten.
Uit een onderzoek van het CBS blijkt echter dat de daling veel minder spectaculair is dan het UWV heeft berekend. Uit de CBS analyse blijkt dat van de mensen die in 2011 een nieuwe baan vonden, zo’n 335.000 van hen in datzelfde jaar een vast contract kregen. Ten opzichte van 2010 is dit slechts een daling van 2% (in 2010 kregen 342.000 ‘baanvinders’ een vast contract).
Het grote verschil tussen de twee rapportages volgt uit het feit dat het UWV slechts kijkt naar de vorm van het contract bij indiensttreding terwijl het CBS kijkt of een werknemer na indiensttreding in datzelfde jaar nog een vast contract krijgt. Immers, veel werknemers krijgen eerst een contract voor een aantal maanden, waarna alsnog een contract voor onbepaalde tijd wordt aangeboden als blijkt dat beide partijen tevreden zijn.
In tijden van recessie is het voorstelbaar dat partijen bij het aangaan van een duurzame arbeidsrelatie eerst de kat uit de boom kijken. Er wordt daarom terecht gebruik gemaakt van de mogelijkheid om eerst een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd af te sluiten. Daarna wordt doorgaans al vrij snel overgegaan tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Door te stellen dat het aantal aangeboden vaste contracten in 2011 met 97% is afgenomen wordt de soep wel erg heet opgediend.
mr. Wouter van der Boon, Van Benthem & Keulen

