Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij   Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Juridica.nl | JBMatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Rechtennieuws.nl

Rechtennieuws.nl

Uw dagelijkse relevante juridische nieuws

Search
  • Nieuws
    • Nieuws
    • Archief
  • Artikelen
  • Opleidingen
  • Juridische vacatures
  • Nieuwsbrief

0

Betere informatie over aanvullende pensioenproducten

Geplaatst op 30 mei 2007 om 14:44 door Rechtennieuws.nl

ABP licht deelnemers FPU op:
Er is sprake van misleiding en oplichting in pensioenland met de FPU producten: zie hieronder een deel van mijn memorie van grieven tegen een infaam en abject vonnis van kantonrecher Vleugelers te Heerlen.

» Vergelijk internet, digitale tv en bellen «advertorial
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!

AAN het Hof Den Bosch:Edelgrootachtbaar College,
I Inleiding
Bij exploit d.d 20 april 2007 is appellant mr drs J. van Wieringen voor 24 april 2007 dus tijdig, in beroep gekomen van het op 24 januari 2007 gewezen vonnis door de kantonrechter mr drs W.G.A.M Veugelers gewezen vonnis onder zaakno: 224514 rolno. 06-3166.
Appellant heeft naast deze Memorie van grieven ingebracht: de originele dagvaarding, evenals alle voor de kantonrechter mr Vleugelers van de Rechtbank Maastricht gewisselde stukken, conclusies en aktes.
Bij het fourneren van de stukken zal appellant het procesdossier uit eerste instantie in het geding brengen.
Appellant formuleert zijn grieven tegen het vonnis van de kantonrechter in deze Memorie van Grieven.

Samenvatting
Gedaagde, het ABP, komt zijn met de eiser gemaakte afspraken, dat inleg en rendement van drie spaarproducten tussen 55 en 60 jaar kan worden opgeno-men, niet na. Gedaagde heeft wel de mogelijkheid (bevoegdheid) om deze af-spraak op een andere wijze na te komen, namelijk afkoop en storting op de le-venslooprekening van de eiser. Gedaagde weigert dit. Eiser stelt dat gedaagde de afspraken niet nakomt. Het niet nakomen van deze afspraak is wanpresta-tie.

Eiser heeft in 1999, na zorgvuldige afweging gekozen voor deelname aan drie individuele bijspaarproducten van het ABP. Hij mocht afgaan op volledigheid en betrouwbaarheid van de prospectussen van ABP en de daarin vermelde af-spraken. Op geen enkele wijze heeft in zijn prospectus duidelijk gemaakt dat eiser de vrije keuze van opname van zijn drie bijspaarproducten tussen 55 en 60 jaar, door het ABP zou kunnen worden ontnomen.
Gedaagde is tekort geschoten in zijn voorlichting en communicatie. Eiser heeft verschoonbaar gedwaald.

Op grond van wanprestatie en dwaling vordert eiser thans ontbinding van de drie spaarovereenkomsten en uitbetaling van inleg en opgebouwde rechten.

II Samenvatting
Op 24 juli 1969 trad appellant in dienst bij de rijksoverheid. Hij betaalde pensioenpremie aan het ABP. Van 1969 tot 1997 bestond de arbeidsvoorwaarde dat deelnemers aan het ABP fonds na 40-dienstjaren met 70% van het laatstgenoten salaris met prepensioen konden. Op 1 april 1997 is deze “40 dienstjarenregeling” voor eiser afgeschaft, omdat hij vier maanden te jong was.
In de periode 1997 tot 01-01-2006 bood het ABP een beleggingspolis met een inleggarantie, en een vaste kostenstructuur, alsmede twee spaarproducten aan. Expliciet en ondubbelzin-ning was door het ABP gegarandeerd dat de inleg op kapitaalbasis voor het vroegpensioen kon worden aangewend. Zeer aannemelijk werd gemaakt dat het rendement van de extra inleg “hoog” zou zijn, in elk geval hoger dan het geld zelf beleggen of op de spaarrekening laten staan. Doel van deze producten was het verhogen van het bedrag aan vroegpensioen tussen 55 en 65 jaar of, naar eigen keuze van de deelnemer, de inleg en opbouw toevoegen aan het 65 jarigen pensioen. Aan beide spaarproducten hebben vermoedelijk 1 à 3 procent van de ambtenaren deelgenomen. Aan het beleggingsproduct hebben vermoedelijk minder dan 1 procent van de ambtenaren deelgenomen .

Appellant nam van 1997 tot en met 2005 tot 01-01-2006 deel aan de genoemde drie beleggings- en spaarproducten van het ABP. Zijn doel was: herstel van de mogelijkheid om na circa 40 dienstjaren met vroegpensioen te kunnen gaan.

Deze oplossing van appellant was geheel voorgesteld door de Stichting ABP en in overeenstemming met schriftelijke en mondelinge informatie van het ABP. ABP gaf daarvoor ook expliciete en ondubbelzinnige garanties aan appellant af, zoals ondermeer een inleggarantie. Er was toen bij het afsluiten van de persoonlijke overeenkomsten geen enkele indicatie te vinden, ook niet in het toen geldende Pensioenreglement, en even min in de structuur van het overheidspensioen, dat dit beleggings- en spaargeld – bedoelt voor een overbrugging tot het pensioen op 65 jaar – per 01-01-2006 zou ABP en of PK, zou kunnen worden toegevoegd aan een geheel nieuw soort pensioen met een geheel nieuwe berekeningssystematiek, het ABPKeuzepensioen.

Ongeoorloofde producten
FPU staat voor Flexibel Pensioen en uittreden. In de periode 1997-2005 lag de na-druk van FPU vooral op het vervroegd uittreden. Naar eigen keuze kon de extra inleg ook toegevoegd worden aan het pensioen.
Nergens in de brochures over de FPU-beleggings- en spaarproducten is iets te vin-den over het individueel deelnemen in een “collectieve” regeling en de mogelijkheid van disproportionele schade.
Thans in 2006 merkt het ABP merkt FPU-opbouw en de drie vrijwillige regelingen per 01-01-2006 aan als “flexibel pensioen”. De PSW en de Pensioenwet kennen dit be-grip niet. Wat onder flexibel pensioen moet worden verstaan en wat daarvan de rechtsgevolgen zijn is bepaald door het ABP. De aannames en definities zijn niet te-rug te vinden in de PSW of de PW.

Het ABP maakt geen onderscheid tussen verplicht en vrijwillig collectief pensioen. Het is allemaal volgens het ABP flexibel pensioen.
Dat moet het ABP te doen om te voorkomen dat ABP in strijd handelt met de regeling taakafbakening pensioenen.
Dat is dus ook de reden dat een beleggingsproduct met inleggarantie en een vast kostenstrudtuur wordt aangemerkt als een flexibel pensioen.

ABP betreft het op vrijwillige basis in een collectieve regelingen opgebouwde aan-spraken op flexibel pensioen. Dit uitgangspunt van het ABP blijkt niet uit de folders voor deze producten, maar wordt pas per 01-01-2006 gehanteerd.

Het ABP behandelt individueel vrijwillig FPU gelijk aan collectief verplicht, omdat dit onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van het Hoofdlijnenakkoord.

10. Medio 2005 verzocht appellant het ABP om zijn kapitaalinleg van zijn beleggings- en spaarproduct toe te voegen aan zijn levenslooprekening. In 2005 bleek ook dat de Wet VPL geen betrekking had op kapitaalpolissen, zoals appellant die had gesloten. Uitdrukkelijk is in de Tweede Kamer vastgesteld dat kapitaalpolissen, zoals appellant die had gesloten, buiten de nieuwe VPL maatregelen vielen. Daarnaast is in de Tweede Kamer in 2005 een motie aangenomen waarin stond dat afkoop van vroegpensioen (kennelijk zowel de kapitaal- als omslaggefinacierde polis) mogelijk moest worden gemaakt. De minister van SZW een een ministeriële regeling vastgesteld op grond waarvan afkoop van vroegpensioen mogelijk werd.

11. Net zo min als de Wet VPL heeft ook het Hoofdlijnenakkoord gesloten door de werkgever, betrekking op de kapitaalpolissen van appellant. Zou dat overigens wel het geval zijn dat is sprake van leeftijdsdiscriminatie.

12. Ondanks zijn verzoek voegde het ABP per 01-01-2006 de extra kapitaalinleg van appellant toch toe aan het nieuwe ABP-Keuzepensioen. Uit berekeningen van de afdeling Personeelszaken van de Algemene Rekenkamer bleek vervolgens dat het pensioen van appellant op circa 60 jaar met circa € 10.000,- per jaar daalde, in vergelijking met de situatie voor die datum. Zelfs met vier jaar doorwerken bleek zijn extra kapitaalinleg niet meer te vinden en te renderen. Het ABP sprak dit niet tegen maar weigerde berekeningen te overleggen en weigerde maatman berekeningen te maken.

13. Tegen de gang van zaken maakte appellant bezwaar. Volgens appellant is sprake van misleiding en leeftijdsdiscriminatie waardoor zijn pensioen onherstelbaar is verslechterd en zijn extra kapitaalinleg niet rendeert. Zijn kapitaal wordt zelfs niet meer uitgekeerd en bij zijn overlijden valt het extra spaargeld toe aan het ABP. Appellant stelt daarom dat sprake is van misleiding en wanprestatie door het ABP. Ook is sprake van leeftijdsdiscriminatie en disproportionele benadeling.

14. De Pensioenkamer heeft inmiddels in een openbare hoorzitting van de Commissie Gelijke Behandeling erkend dat binnenskamers al bekend was dat een kleine groep – ambtenaren met heel veel dienstjaren en een relatief hogere rang, waartoe appellant behoort – disproportionele schade heeft. De stelling van appellant over zijn schade door ongerechtvaar-digde leeftijdsdiscriminatie, is hiermee erkend.
Doordat de bedragen op de beleggings- en spaarregelingen aan dit verslechterde pensioen worden toegevoegd wordt de schade nog veel groter.

15. Het ABP heeft inmiddels erkend dat er een probleem is. ABP stelt voor dat appellant als – enige ABP-deelnemer -, zijn spaarproducten mag opnemen vanaf 60 jaar, in een soort FPU. Daarbij merkt het ABP op zich dit keer wel aan deze afspraak te zullen houden. Daarmee erkend ABP inmiddels dat expliciete en ondubbelzinnige afspraken over een beleggingspolis met inleggarnatie en twee spaarproducten, zijn geschonden.

16. Echter, appellant constateert dat uit berekeningen blijkt dat hij ook bij deze nieuwe FPU oplossing disproportioneel wordt benadeeld. Dat komt door de nieuwe pensioenregels, zoals de actuariële herrekening in de Wet VPL en de inkoopregeling van het ABP.
FPU-ontslag op 60 jaar is daarom voor hem zeer onvoordelig geworden. Hij moet in dienst blijven tot 65 jaar om zijn disproportionele pensioenschade enigszins te kunnen herstellen. Overigens is ook bij pensioen bij 65 jaar na 46 dienstjaren het rendement van zijn extra inleg verdwenen, terwijl een 100% inleggarantie is verstrekt op het beleggingsproduct.

17. In plaats van FPU op 60 jaar, zoals ABP voorstelt, zou het spaargeld beter kunnen worden toegevoegd aan zijn levensloop, wat appellant al medio 2005 heeft verzocht aan het ABP. Het is een eenvoudige en eerlijke oplossing. Deze oplossing wordt door het ABP geweigerd, met als enige onderbouwing een verwijzing naar het Pensioenreglement en het Hoofdlijnenak-koord, dat op dit geschil niet van toepassing kan zijn. In feite is de enige motivering van het ABP het artikel 16.6 van het nota bene door het ABP zelf opgestelde pensioenreglement, waarin staat dat het “spaarproduct” “pensioen” is. Dit is niet juist.

18. Het ABP heeft geen belang bij de weigering van het verzoek van appellant. Voor het ABP maakt het volgens appellant niets uit of het geld wordt toegevoegd aan levensloop of dat het geld door ABP wordt uitgekeerd als FPU op 60 jaar. De opstelling van het ABP is daarom onbegrijpelijk en kennelijk beoogt ABP onnodige schade aan appellant toe te brengen.

19. Appellant stelt dat zijn spaarbedrag kan en behoort te worden toegevoegd aan zijn levenslooprekening, zodat de opname van zijn spaargeld – tijdens levensloop blijft het dienstverband immers in stand en blijft dus de actuariële herrekening achterwege – toch kan dienen voor het doel waarvoor het is betaald en zijn pensioenschade – die overigens ook in deze variant volop blijft bestaan – beperkt blijft.

19. De oplossing van het ABP is oneerlijk en onbillijk, terwijl de door appellant voorgestelde oplossing voor het ABP niet bezwaarlijk is. De kantonrechter is het echter toch met het ABP eens. Tegen het vonnis van de kantonrechter is dit beroep en deze memorie van grieven gericht.

III. Hoofdgrieven

Kantonrechter Heerlen CV expl 06-3166, zaaknr. 224514
De vraag of sprake is van misleiding bij de verkoop van het beleggingsproduct met een 100% inleggarantie en de beide spaarproducten is voorgelegd aan de kanton-rechter Heerlen. De kantonrechter Heerlen oordeelde op 24 januari 2007 dat geen sprake was van misleiding èn dat de beleggings- en spaarproducten onderdeel uit-maken van het collectieve pensioen.
Dus een beleggingspolis meet een inleggarantie en een vaste kostenstructuur van 0,6 procent is volgens het ABP “flexible pensioenën de kantonrechter situaveert dit ABP standpunt.
Tegen dit abjecte en infame vonnis van de kantonrechter is hoger beroep aangete-kend bij het Gerechtshof Den Haag.
Lezing van het de memorie, waarin het vonnis geheel is geciteerd, maakt duidelijk dat de kantonrechter klakkeloos de stellingen van het ABP volgt. Referte aan de PSW, PW, beginselen van behoorlijkbestuur, gerechtvaardigde verwachtingen e.d. vormen kennelijk geen onderdeel meer van de overwegingen. Een comparitie is door de ktr niet voorgesteld.

Kantonrechter Heerlen CV expl 06-561, zaaknummer 226283
Tevens is een uitspraak van de kantonrechter gevraagd over de FPU-opbouw, met de stelling dat dit deel van de FPU evenmin een onderdeel van het pensioen is. Deze zaak is geroyeerd en later aangehouden.
ABP zal bij exploot worden opgeroepen, onder meer om uit te leggen waarom de voorwaarden van de PSW bij de afkoop, zie hierna, van flexibel pensioen niet zijn nagekomen.

Samenvatting grieven
4. Samengevat zijn de grieven van appellant gericht op de onjuiste en onvoldoende onderbouwing van het vonnis, de onvolledige feiten, de eenzijdige weergave van de standpunten van partijen, en de onvolledige twaalf rechtsoverwegingen die ten grondslag liggen aan de beoordeling en tegen de beslissing om de vorderingen af te wijzen.

5. Appellant stelt voorts dat het vonnis is in strijd met een goede procesorde.
Uit rechtsoverweging 12 van de kantonrechter blijkt dat tussen partijen een aangelegen-heid bestaat die direct op deze zaak betrekking heeft en die nog niet tussen partijen tot een oplossing is gebracht. Verder is de kantonrechter bekend dat tevens een klacht in behandeling is over leeftijdsdiscriminatie bij de gespecialiseerde Commissie Gelijke Behandeling – comparitie vond daar plaats op 15 februari 2007. Appellant betreurt het dat de kantonrechter niet zelf een comparitie heeft gehouden. Appellant concludeert dat een goede procesorde had vereist dat de kantonrechter zich had verdiept in lopende procedures en appellant in de gelegenheid had gesteld met het ABP het geschil nader uit te werken en had afgewacht tot het bij hem bekende geschil over het pensioenoverzicht 2006, genoemd in r.o. 12, opgehelderd was.
20. Appellant heeft in circa 25 grote en kleine grieven, grammaticale, teleologische en juridische grieven tegen het vonnis van de kantonrechter. Volgens hem klopt het vonnis niet en komt het voor vernietiging in aanmerking.
De hoofdgrieven tegen het vonnis zijn:

21. Appellant heeft bezwaar tegen de gemakzucht en oppervlakkigheid waarmee de niet onderbouwde argumentatie van het ABP door de kantonrechter wordt gevolgd en de argumenten van appellant ter zijde worden geschoven;

22. Appellant is gekwetst door het onterechte verwijt van de kantonrechter dat appellant beter had kunnen/moeten weten. Daarom zou er volgens de kantonrechter geen misleiding zijn.
Uit onderstaande grieven blijkt volgens appellant dat werkelijk nergens bleek of mocht worden verwacht dat met de extra beleggingsproducten en spaarproducten appellant disproportioneel zou kunnen worden benadeeld. Benadeling door toevoeging van zijn prepensioen aan het nieuwe ABP Keuzepensioen bleek niet uit het PR en niet uit het systeem van het vaststellen van deze arbeidsvoorde, het pensioen.

23. De in 1979 aan appellant gegeven garanties, de toen bij hem gewekte verwachtingen en zijn loyale inzet leiden volgens hem eerder tot het omgekeerde, namelijk dat appellant gewaardeerd zou worden en gelijk – of nagenoeg gelijk met een stapsgewijze invoering -als degenen geboren voor 01-01-1950 zou worden behandeld. De vaststaande disproportionele schade kon en hoefde een zinnig mens niet te verwachten. Appellant wist al 37 jaar dat sprake is van een eenzijdige vaststelling van zijn arbeidsvoorwaarden, maar daar gaat het niet meer over. ABP had vooraf duidelijk moeten maken dat er een geringe kans bestond dat een risico als dit – de disproportionele schade – gematerialiseerd zou kunnen worden.

24. Het tegendeel is gecommuniceerd in brochures en in het PR. In artikel 16.6 staat een onjuiste redenering staat, namelijk dat het beleggingsproduct pensioen zou zijn. Dit is niet juist. Maar al zou het wel juist zijn, dit artikel is toch niet de basis voor benadeling. ABP kan niet zomaar € 10.000,- per jaar aan pensioenverlaging doorvoeren bij de kleine geselecteerde groep (1% van de ambtenaren), die ook al in 1997 en 2004 disproportioneel is benadeeld, namelijk degenen met veel dienstjaren en een relatief hoger salaris. En die daarbij nog een extra inleg deden in beleggings- en bijspaarproducten, uitgelokt door de mooie ABP-praatjes en brochures.
Ondubbelzinning en expliciet heeft het ABP een beleggingsproduct en twee spaarproducten aangeprezen, en verwachtingen gewekt over het rendement en een inleggarantie.

25. Geen bevoegdheid tot toebrengen disproportionele schade.
Het PR en het systeem van de eenzijdige vaststelling door werkgever en vakbonden van het pensioen laten nergens toe dat een individuele ambtenaar met bijna 37 dienstjaren van de ene op de andere dag € 10.000,- per jaar aan pensioen gaat missen. Geen zinnig mens zou zelfs bij een minieme kans op een dergelijke benadeling nog deelnemen aan een bijspaarre-geling. Toch suggereert de kantonrechter dat appellant beter had kunnen weten.

26. Leeftijdsdiscriminatie:
De kantonrechter passeert door het betoog van het ABP klakkeloos over te nemen, de stelling dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Dit is onterecht. Namelijk, niet alleen bij het Hoofdlijnenakkoord is appellant, zoals inmiddels door de PK is toegegeven, gediscrimineerd, maar daarna ook weer bij de weigering in 2006 om de beleggings- en bijspaarproducten toe te voegen aan zijn levensloop. In deze zaak gaat het over de discriminatie medio 2006 die niets te maken heeft met het hoofdlijnenakkoord maar voortvloeit uit een zelfstandig besluit.

27. Strijd met goede procesorde
De kantonrechter wijst vonnis op een moment dat tussen partijen nog een op te lossen verschil van inzicht over de berekeningen loopt. Voorts mist de kantonrechter de kans om via een comparitie het ABP de gelegenheid te geven de zaak op te lossen.

28. ABP heeft geen belang
De oplossing van dit geschil is eenvoudig. ABP heeft een oplossing aangeboden, maar appellant wil daar een variant op. Voor het ABP maakt het niets uit welke oplossing wordt gekozen. De toegezegde FPU op 60 jaar voor appellant, als oplossing voor zijn schade, is voor appellant bijzonder bezwaarlijk, terwijl het storten van het bedrag door ABP in zijn levensloop als appellant 60 jaar is geen enkel verschil maakt.

Hierna volgen alle grieven in detail uitgewerkt. Het verzoek staat op de laatste bladzijde..

Ook interessant:

  • Letselschade opgelopen bij een bedrijfsongeval in de bouw? Deze informatie is voor u van belang!

Rubriek: Arbeidsrecht en sociale zekerheidsrecht

Gerelateerde berichten:
Informatie over pensioen per e-mail mogelijk 19-05-2006
Voorstellen ter verbetering ontwerp-Pensioenwet 09-03-2006
Nieuwe pensioenwet biedt meer zekerheid en duidelijkheid 21-12-2005
Vorige
Ten onrechte geen toepassing gegeven aan hardheidsclausule
Volgende
Vordering projectontwikkelaar op gemeente Assen afgewezen

Over Rechtennieuws.nl

Rechtennieuws.nl is een informatie portal gericht op juridische professionals en zij die dat graag beogen te worden (advocaat-stagaires, kandidaat-notarissen, RAIO's, rechtenstudenten WO en HBO, enzovoorts).

Op de voorpagina wordt, gerubriceerd in verschillende rechtsgebieden, juridisch nieuws gepubliceerd. Desgewenst kunnen bezoekers naar aanleiding van de berichtgeving inhoudelijk reageren.


Bekijk alle berichten van Rechtennieuws.nl
Bliss Hypotheekadviseurs
Vergelijk internet, digitale tv en bellen
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Juridische vacatures

Colofon

Uitgeverij
Rechtenmedia

Contact Hoofdredactie
info@rechtenmedia.nl

Ontwikkeling en technische realisatie
Blue Horizon
Piscator.nu
  • Nieuws
    • Nieuws
    • Archief
  • Artikelen
  • Opleidingen
  • Juridische vacatures
  • Nieuwsbrief
Copyright © 2026 Rechtenmedia B.V. - Alle rechten voorbehouden.