Rechtbank Arnhem heeft onlangs in een feitelijke procedure beslist dat het in die zaak aan een vastgoedhandelaar uitbetaalde strijkgeld of plokgeld een met btw belaste vergoeding was voor geleverde diensten.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Strijkgeld of plokgeld is een bedrag in geld dat met name op openbare veilingen of verkopingen en soms bij verpachtingen als premie wordt uitgeloofd voor degene die bij het opbieden het hoogste bod doet. Het strijkgeld bedraagt meestal 1% van de inzet en wordt in het algemeen door de verkoper betaald. De vastgoedhandelaar aan wie de naheffingsaanslag was opgelegd argumenteerde onder meer dat deze niet aan hem, maar aan een groep vastgoedhandelaren met wie hij op veilingen samenwerkte, had moeten worden opgelegd. De rechtbank stelde vast dat de op de openbare veilingen opererende handelaren weliswaar onderling samenwerkten, maar dat dit voor de buitenwacht niet kenbaar was. Daardoor was de samenwerkende groep handelaren niet de belastingplichtige voor de omzetbelasting maar de individuele handelaren zelf. De rechtbank zag zich gesterkt door het feit dat bij een veiling de individuele handelaar de woning verwerft en niet de samenwerkende groep. Verder was de rechtbank van oordeel dat er een rechtstreeks verband bestond tussen de prestaties van de vastgoedhandelaar en de ontvangen strijkgelden. De prestatie van de handelaar bestond hierin dat hij door zijn deelname aan het bieden op de veiling het bieden had gestimuleerd en daardoor de door verkoper te behalen opbrengst had verhoogd.
Rechtbank Arnhem heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vraag of uitbetaald ‘strijkgeld’ of ‘plokgeld’ een met btw belaste vergoeding was voor geleverde diensten. Strijkgeld of plokgeld is een bedrag in geld dat met name op openbare veilingen of verkopingen en soms bij verpachtingen als premie wordt uitgeloofd voor degene die bij het opbieden het hoogste bod doet. Het strijkgeld bedraagt meestal 1% van de inzet en wordt in het algemeen door de verkoper betaald.
De onderhavige procedure betrof een vastgoedhandelaar die op openbare veilingen van woningen met andere handelaren in wisselende samenstellingen had samengewerkt om woningen tegen een zo laag mogelijke prijs te kunnen kopen. Het door een bepaalde handelaar ontvangen strijkgeld werd op basis van gemaakte afspraken onderling verdeeld. Het was voor de buitenwacht niet kenbaar dat de handelaren als groep samenwerkten.
Naar aanleiding van een boekenonderzoek over het jaar 2003 bij de handelaar stelde de inspecteur zich op het standpunt dat het strijkgeld een met btw belaste vergoeding was en legde de handelaar voor dat jaar een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete op. Hij was van mening dat de handelaar zelfstandig en voor eigen risico had opgetreden. Het samenwerkingsverband trad volgens hem niet als een eenheid naar buiten op maar had slechts interne werking. De handelaar stelde dat hij niet voor zichzelf was opgetreden op de veilingen maar namens het samenwerkingsverband waarvan hij op dat moment deel uitmaakte. Volgens de handelaar verrichtte niet hij maar het samenwerkingsverband een prestatie tegenover degene die het strijkgeld uitbetaalde. De zaak kwam voor Rechtbank Arnhem.
De rechtbank wees op de wetsbepaling over de belastingplichtige voor de omzetbelasting: de ondernemer. Deze wordt in de wet gedefinieerd als ‘ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent.’ Onder ‘ieder’ vallen niet alleen natuurlijke personen of rechtspersonen, maar ook combinaties van natuurlijke personen en/of rechtspersonen die als zodanig optreden in het economische verkeer. Uit onder meer een arrest van de Hoge Raad uit 1983 volgt dat een samenwerkingsverband als een ‘ieder’ wordt aangemerkt als het zich gezamenlijk naar buiten presenteert en als zodanig tegenover derden prestaties verricht.
Naast bovengenoemde hoedanigheden over de samenwerking tussen de handelaren stelde de rechtbank verder vast dat zowel het inzetten als het afmijnen op de veilingen door de handelaren individueel werd gedaan. Ook werd een geveild pand niet aan de samenwerkende groep maar aan de inzetter of afmijner geleverd. Op basis van deze feiten en omstandigheden kwam de rechtbank tot het oordeel dat de samenwerkende groep niet als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeerde.
Vervolgens rees de vraag of sprake was van een rechtstreeks verband tussen de prestaties van de handelaar en de ontvangen strijkgelden. De handelaar stelde dat er geen rechtstreeks verband was. Het was hem niet om het strijkgeld te doen maar om een pand te verwerven.
De rechtbank stelde voorop dat de handelaar woningen verkocht en leverde en in die hoedanigheid optrad als ondernemer voor de omzetbelasting. Daarbij vond de rechtbank het bieden op veilingen zodanig met de aan- en verkoop van de woningen te zijn verweven, dat deze activiteit geacht moet worden door een handelaar binnen zijn onderneming te zijn verricht. Op basis van de feiten en omstandigheden was de rechtbank van oordeel dat de handelaar een prestatie had verricht aan de verkoper van de woning en dat het strijkgeld de vergoeding voor die prestatie vormde. De prestatie van de handelaar bestond hierin dat hij door zijn deelname aan het bieden op de veiling het bieden had gestimuleerd en daardoor de door verkoper te behalen opbrengst had verhoogd. De rechtbank vond daarbij het niet van belang of de handelaar primair een woning wilde kopen. De handelaar haalde nog enkele andere argumenten aan om de naheffingsaanslag van tafel te krijgen, maar dat was t evergeefs. De rechtbank verklaarde het beroep van de handelaar opgegrond.

