Naar gangbare fiscale opvattingen behoudt een als geldlening verstrekt geldbedrag ook in fiscale zin deze kwalificatie, tenzij sprake is van: een ‘schijnlening’, een ‘deelnemerschapslening’ of een ‘bodemloze-putlening’.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Het minder solvabel worden van een ‘echte debiteur’ kan voor de crediteur onder omstandigheden aanleiding zijn om de geldlening aan de debiteur (deels) ten laste van de winst af te waarderen. Uit een arrest van de Hoge raad uit 2008 blijkt echter dat het afwaarderingsverlies niet aftrekbaar is als sprake is van een zogeheten onzakelijke lening. Een kenmerkend element van zo’n onzakelijk lening is dat een onafhankelijke derde de betreffende lening niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben verstrekt.
Onlangs heeft hof Amsterdam in een sterk feitelijke procedure geoordeeld dat sprake was van een onzakelijke lening, waardoor het afwaarderingverlies niet aftrekbaar was. Bovendien oordeelde het hof dat de bv nog wel rente op die leningen fiscaal in aanmerking moest nemen (de zogeheten rente-imputatie). Deze rente moest volgens het hof ook worden geïmputeerd voor zover die zag op het afgewaardeerde deel van de vordering. Het hof gaf verder aan dat door de niet-aftrekbaarheid van de afwaardering het gehele debiteurenrisico was geëlimineerd. Dat had gevolgen voor de te hanteren rentevoet. Voor de rente-imputatie moest daarom worden uitgegaan van de rentevoet voor een ‘risicovrije’ lening. Dat was in de onderhavige procedure (de jaren 1999/2000 – 2001/2002) de 12 maands AIBOR rentevoet ad. 5% minus de daarin begrepen risico-opslag van 1,3%, 0,4% en 1,1%.
Voor de belastingheffing is de civielrechtelijke vorm van een geldverstrekking van de ene vennootschap aan de andere vennootschap in beginsel beslissend. De gelden zijn óf via een kapitaalstorting óf via een geldlening aan de vennootschap ter beschikking gesteld. De fiscale gevolgen bij insolventie van de ontvangende vennootschap zijn verschillend. Een onvolwaardige vordering mag de uitlenende vennootschap afwaarderen ten laste van de winst, terwijl de waardevermindering van de aandelen in de dochtervennootschap op grond van de deelnemingsvrijstelling zijn vrijgesteld.
Zijn de gelden via een geldlening ter beschikking gesteld dan moet deze kwalificatie fiscaal worden gevolgd, tenzij sprake is van één van de in de jurisprudentie van de Hoge Raad genoemde uitzonderingssituaties: een ‘schijnlening’, een ‘deelnemerschapslening’ of een ‘bodemloze-putlening’.Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2008 blijkt echter dat ook als (fiscaal gezien) sprake is van een lening, onder omstandigheden een afwaarderingsverlies toch niet aftrekbaar is. Dat is het geval als sprake is van een zogeheten onzakelijke lening. Een kenmerkend element van een onzakelijke lening is dat een onafhankelijke derde de betreffende lening niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben verstrekt.
Hof Amsterdam heeft onlangs in een sterk feitelijke procedure geoordeeld dat sprake was van een onzakelijke lening. In de onderhavige procedure was sprake van een houdster- en financieringsmaatschappij (een bv) die vanaf eind 1998 grote vorderingen had op onder meer een dochter- en kleindochtervennootschap. Deze vorderingen had de bv van haar toenmalige moedermaatschappij tegen nominale waarde en tegen uitgifte van eigen aandelen overgenomen. Deze vorderingen waren renteloos en zonder zekerheden verstrekt. In de boekjaren 1999/2000 en 2001/2002 waardeerde de bv de vorderingen af ten laste van de winst. De inspecteur accepteerde dat niet en was bovendien van mening dat de bv ook rente op die vorderingen fiscaal in aanmerking moest nemen (rente-imputatie).
De zaak kwam uiteindelijk voor Hof Amsterdam. Het hof kwam op basis van feiten en omstandigheden tot het oordeel dat met betrekking tot de vorderingen geen van drie eerdergenoemde uitzonderingssituaties zich had voorgedaan. Toch was het hof met de inspecteur van oordeel dat de bv de afwaardering niet ten laste van haar winst kon brengen omdat sprake was van onzakelijke leningen.
Ook was het hof met de inspecteur eens dat de bv rente op de vorderingen in aanmerking moest nemen (rente-imputatie), ook voor zover die rente zag op het afgewaardeerde deel van de vordering. De inspecteur meende dat als rentevoet het CBS-rendement moest dienen met een risico-opslag van 2,5%. Dit leidde tot een rentevoet van 7%. Het hof wees deze benadering echter af.Het hof gaf aan dat door de niet-aftrekbaarheid van de afwaardering het gehele debiteurenrisico was geëlimineerd. Dat had gevolgen voor de te hanteren rentevoet. Voor de rente-imputatie moest daarom worden uitgegaan van de rentevoet voor een ‘risicovrije’ lening. Dat was in de onderhavige procedure (de jaren 1999/2000 – 2001/2002) de 12 maands AIBOR rentevoet ad 5% minus de daarin begrepen risico-opslag van 1,3%, 0,4% en 1,1%.
Het hof stelde de belastbare bedragen over de boekjaren 1999/2000 – 2001/2002 met inachtneming van deze twee correcties vast.

