De Hoge Raad heeft onlangs beslist dat een gemeente onder omstandigheden de heffing van reclamebelasting tot het centrumgebied mag beperken. Dat is het geval als de met de reclamebelasting te subsidiëren activiteiten en voorzieningen in het centrumgebied enig profijt oplevert voor ondernemers die daar zijn gevestigd zoals extra toeloop van het publiek. Daarnaast moet de gemeente er redelijkerwijs vanuit kunnen gaan dat degenen die profijt hebben van de opbrengst ook in de belastingheffing worden betrokken. Hof Arnhem had het in de onderhavige procedure aannemelijk geacht dat dat profijt er inderdaad was. Tegen dit feitelijke oordeel staat geen beroep in cassatie bij de Hoge Raad open.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Reclamebelasting is een belasting die een gemeente kan heffen voor het doen van openbare aankondigingen die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn. U kunt hierbij onder meer denken aan lichtreclames, reclamezuilen of sandwichmannen die met hun borden rondlopen. Gemeenten kunnen ook reclamebelasting heffen binnen een bepaald gebied, bijvoorbeeld het centrum. De Hoge Raad heeft onlangs in deze zin beslist. De zaak was verkort weergegeven als volgt.
De gemeente Doetinchem had in 2008 aan een in het centrumgebied van Doetinchem gevestigde bv voor het jaar 2008 een aanslag reclamebelasting opgelegd. De bv had aan het door haar gebruikte winkelpand een openbare aankondiging aangebracht die zichtbaar was vanaf de weg. De gemeente had de reclamebelasting op verzoek van de Ondernemersvereniging Doetinchem ingevoerd om daarmee invulling te geven aan het centrummanagement en om met diverse activiteiten het centrum aantrekkelijker te maken. De hiermee gemoeide kosten wilde de gemeente met een reclamebelasting verhalen op alle ondernemers in het centrumgebied die daarvan profijt zouden trekken en om zogeheten free riders-gedrag (wel profijt ervan hebben maar niet daarvoor betalen) te voorkomen.
De bv ging niet akkoord met de opgelegde aanslag reclamebelasting en had daarbij geen gehoor gevonden bij de gemeente en evenmin bij Rechtbank Zutphen. Ook Hof Arnhem stelde de bv in het ongelijk en had beslist dat een gemeente onder omstandigheden de heffing van reclamebelasting tot het centrumgebied mag beperken. Dat is het geval als de met de reclamebelasting te subsidiëren activiteiten en voorzieningen in het centrumgebied profijt oplevert voor ondernemers die daar zijn gevestigd. Hof Arnhem had het in de onderhavige procedure aannemelijk geacht dat dat het geval was.
De bv stelde daarop cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad stelde voorop dat de reclamebelasting een algemene belasting is, wat inhoudt dat de gemeente vrij is in de besteding van de opbrengst van die belasting, en dus ook vrij is om de opbrengst te besteden aan activiteiten en voorzieningen binnen een bepaald gedeelte van haar grondgebied.
Het karakter van een algemene belasting is geen beletsel dat een gemeente de heffing van deze belasting beperkt tot een gedeelte van haar grondgebied, als voor die heffing een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De Hoge Raad geeft aan dat als een gemeente de opbrengst van de reclamebelasting op een wijze besteedt zoals gemeente Doetinchem had gedaan, sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging als de gemeente daarbij redelijkerwijs vanuit mag gaan dat degenen die profijt hebben van de opbrengst ook in de belastingheffing worden betrokken. Hof Arnhem had geoordeeld dat dat inderdaad het geval was. Het beroep in cassatie van de bv verklaarde de Hoge Raad ongegrond omdat het oordeel van het hof feitelijk van aard was en niet onbegrijpelijk of onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad verklaarde daarop het beroep in cassatie van de bv ongegrond.

