Hof Den Haag heeft beslist dat de status van een rijksmonument van een vrijstaande woonboerderij toch enige waardedrukkende invloed heeft op de WOZ-waarde. De eigenaar van de woonboerderij bepleitte een fors lagere WOZ-waarde door de monumentenstatus vanwege de extra onderhoudskosten voor monumenten (in verband met de cultuurhistorische waarde).
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De gemeente erkende dat aan de status van rijksmonument nadelen kleefde, maar wees daarbij ook op enige fiscale voordelen zoals de restauratiehypotheek met lagere rente, de fiscale aftrekbaarheid van onderhoudskosten, de aftrek van zakelijke lasten en een forfaitaire afschrijving. De eigenaar van de woonboerderij stelde daarop dat de fiscale aftrekpost eerst aan de orde is als de kosten een (hoge) drempel overschrijden en dat alleen in jaren met uitzonderlijk hoge onderhoudskosten de aftrekpost effectief kan worden benut. De eigenaar bepleitte een waardedruk van 15 tot 20%. Het hof achtte het wel aannemelijk dat aan de status van rijksmonument nadelen kleefde, maar de man had geen onderbouwing gegeven voor de door hem gestelde procentuele waardedruk. Op basis van redelijke schatting stelde het hof de waardedruk op 7%. (Wij merken op dat per 1 januari 2012 de regeling voor aftrek van onderhoudskosten voor eigen woningen die monument zijn, is veranderd. De drempel is verdwenen maar de aftrek is gemaximeerd tot 80% van de drukkende onderhoudskosten.)
Hof Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de status van een rijksmonument van een vrijstaande woonboerderij enige waardedrukkende invloed heeft op de WOZ-waarde. De procedure betrof een woonboerderij waarvoor de gemeente naar waardepeildatum 1 januari 2009 een WOZ-waarde had vastgesteld van € 1.242.000. Op hetzelfde biljet had de gemeente voor het jaar 2010 de aanslag in de onroerende-zaakbelasting vastgesteld. Na bezwaar verminderde de gemeente de WOZ-waarde naar € 1.208.000. De eigenaar van de woonboerderij stelde daarop beroep in bij Rechtbank Den Haag die de WOZ-waarde om andere redenen dan de monumentenstatus verlaagde tot € 1.081.000. De eigenaar van de woonboerderij meende dat zijn argument inzake de waardedruk door de monumentenstatus ten onrechte was afgewezen en stelde hoger beroep in bij Hof Den Haag.
Voor het hof bepleitte de eigenaar van de woonboerderij een lagere WOZ-waarde door de monumentenstatus vanwege de extra onderhoudskosten voor monumenten (in verband met de cultuurhistorische waarde). De gemeente erkende dat aan de status van rijksmonument nadelen kleefde, maar wees daarbij ook op enige fiscale voordelen zoals de restauratiehypotheek met lagere rente, de fiscale aftrekbaarheid van onderhoudskosten, aftrek van zakelijke lasten en een forfaitaire afschrijving. De eigenaar van de woonboerderij stelde daarop dat de fiscale aftrekpost eerst aan de orde is als de kosten een (hoge) drempel overschrijden en dat alleen in jaren met uitzonderlijk hoge onderhoudskosten de aftrekpost effectief kan worden benut. De eigenaar bepleitte een waardedruk van 15 tot 20%.
Het hof achtte het aannemelijk dat aan de status van rijksmonument nadelen kleven. De man had echter geen onderbouwing gegeven voor de door hem gestelde procentuele waardedruk. Alles afwegende stelde het hof de waardedruk door de monumentenstatus naar redelijke schatting vast op 7%. Het hof stelde de WOZ-waarde vast op € 950.000 en verminderde de aanslag onroerende-zaakbelasting in overeenkomstige mate.
Opmerking
In ons nieuwsbericht van 6 januari 2010 hebben we in hoofdlijnen de aftrek van uitgaven van monumentenpanden weergegeven zoals die gold tot en met 2011. De op 1 januari 2012 in werking getreden Geefwet bevat een inperking van uitgaven voor monumentenpanden. Eigenaren van monumentenpanden kunnen niet langer meer de vaste eigenaarslasten in de inkomstenbelasting aftrekken. Deze aftrek en afschrijvingen zijn afgeschaft en de aftrek voor kosten voor onderhoud aan een rijksmonumentenpand is gemaximeerd tot 80% van de drukkende onderhoudskosten. De drempelbedragen voor deze aftrekpost zijn vervallen. Voor onderhoudskosten waartoe voor 1 januari 2012 reeds onherroepelijke verplichtingen zijn aangegaan, is een overgangsregeling getroffen.

