De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 11 september 2012 dat het gratis mede-gebruik van de naastgelegen woning leidt tot meer woongenot, maar dat dit voordeel niet als een vorm van inkomen kan worden aangemerkt.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Appellante maakt gebruik van zowel haar eigen woning als de aangrenzende woning van haar buurman die tevens de vader is van haar jongste dochter. Door middel van het dóórbreken van de scheidingsmuur en het plaatsen van een toog zijn de woningen met elkaar verbonden. De buurman woont feitelijk niet meer in zijn woning. Hij heeft zijn oude woning echter aangehouden en betaalt daarvoor de huur en de vaste lasten. Hij heeft destijds aan appellante aangeboden dat zij zijn woning deels mag gebruiken. Het college heeft de bijstand van appellante verlaagd met het bedrag van de woonlasten die de buurman voor zijn rekening neemt. Het gratis mede-gebruik van de naastgelegen woning leidt voor appellante weliswaar tot een uitbreiding van de beschikbare woonruimte en daarmee tot meer woongenot, maar zij kan dit voordeel niet te gelde maken en inzetten voor haar levensonderhoud. Dit voordeel kan daarom niet als een vorm van inkomen worden aangemerkt. Een grondslag voor de verlaging van de bijstand van appellante kan wel worden gevonden in artikel 18, eerste lid, van de WWB. Op grond van die bepaling is het college verplicht om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. De Raad heeft eerder overwogen (zie de uitspraak van 24 november2009, LJN BK5133) dat voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging slechts plaats is in zeer bijzondere situaties. In dit geval kan een dergelijke bijzondere situatie worden aangenomen.
De gekozen constructie levert appellante een substantiële besparing op nu zij om te kunnen beschikken over een grotere woonruimte niet hoeft te verhuizen, geen verhuis- en inrichtingskosten behoeft te maken en voorts mag worden aangenomen dat zij lagere woonlasten heeft dan zij zou hebben gehad bij het betrekken van een nieuwe grotere woning van vergelijkbare omvang. Daarnaast bespaart zij op kosten van water- en energieverbruik nu deze kosten in de naastgelegen woning door de buurman worden voldaan. Onder de gegeven omstandigheden is het niet redelijk het totale door de buurman voldane bedrag in aanmerking te nemen bij de herziening en terugvordering van de aan appellante verleende bijstand. De Raad acht 50% voor de verschuldigde huursom + kosten voor water- en energieverbruik wel redelijk.
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

