Hof Den Bosch heeft in een feitelijke procedure beslist dat geen sprake is van een verkapte winstuitdeling, indien een directeur-grootaandeelhouder mag vertrouwen op een door een onafhankelijke taxateur vastgestelde waarde van een onroerende zaak. Het hof overwoog dat een directeur-grootaandeelhouder die een onroerend goedtransactie met zijn vennootschap wil aangaan, in het algemeen mag vertrouwen op de juistheid van de waarde die een taxateur vaststelt. Dit kan echter anders zijn indien de inhoud van het taxatierapport of onzorgvuldig handelen van de aandeelhouder aanleiding geven tot een uitzondering op die regel. Het hof stelde in de procedure de directeur-grootaandeelhouder in het gelijk.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Indien u naast directeur-grootaandeelhouder bijvoorbeeld ook verhuurder of verkoper bent voor uw vennootschap, is het noodzakelijk om te bepalen in welke hoedanigheid uw bv een bepaalde prestatie aan u verricht. Er kan namelijk sprake zijn van een zogenoemde verkapte winstuitdeling. Stel dat u een pand aan uw onderneming verkoopt voor een prijs die te hoog is. Het deel van de verkoopprijs dat boven de marktprijs uitgaat, zal onder voorwaarden worden aangemerkt als een verkapte winstuitdeling.
Een winstuitdeling wordt aangenomen indien een uitgave van een vennootschap niet wordt gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de vennootschap, maar met de bedoeling om de aandeelhouder te bevoordelen. Bovendien moeten er winst of winstreserves in de bv aanwezig zijn, of moet de winstuitdeling worden gedekt door winst die de bv binnen afzienbare verwacht te behalen. Ten slotte moeten zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich van deze bevoordeling bewust zijn. Deze bewustheid wordt aangenomen indien de vennootschap de aandeelhouder heeft willen beoordelen en beide zich daarvan bewust zijn geweest of redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn.
Hof Den Bosch heeft onlangs in een feitelijke procedure een uitspraak gedaan, waarin de bewustheid van aandeelhouder en vennootschap een doorslaggevende rol speelde. De zaak was als volgt.
Twee broers hadden beide de helft van de aandelen in een bv. De bv handelde in vrachtwagens en bedrijfsvoertuigen. De broers bezaten samen een perceel grond, dat zij aan de bv verhuurden. Door de bv werd het terrein gebruikt als opstelplaats voor de te verhandelen voertuigen. Op 27 december 2000 verkochten de broers het terrein aan de bv. Als verkoopprijs hielden zij de waarde aan die volgens een onafhankelijke taxateur van onroerende zaken aan het terrein kon worden toegekend.
Op verzoek van de inspecteur heeft een taxateur van de belastingdienst de grond eveneens gewaardeerd. Deze taxatie kwam op de helft van de verkoopprijs uit. Na een overleg tussen de broers en de belastingdienst, gaven de broers opdracht aan twee andere taxateurs om een tweede taxatie uit te voeren. Deze taxateurs waardeerden de grond nog hoger dan de eerste taxateur. De inspecteur legde echter toch een navorderingsaanslag op aan de broers. Hierin werd het verschil tussen de verkoopprijs en de in opdracht van de inspecteur uitgevoerde taxatie aangemerkt als een (verkapte) winstuitdeling.
Een van de broers was van mening dat geen sprake was van een winstuitdeling en maakte bezwaar tegen de navordering. Uiteindelijk kwam de zaak voor het Hof Den Bosch.
Het hof volgde de broer in zijn stelling. Allereerst stelde het hof dat voor een winstuitdeling niet nodig is dat een aandeelhouder en een vennootschap zich bewust zijn van de omvang van de vermogensverschuiving. Het is voldoende dat zij zich bewust zijn dat er een vermogensverschuiving plaatsvindt tussen de vennootschap en de aandeelhouder.
Vervolgens ging het hof in op de vraag of de broer en de vennootschap zich in deze zaak bewust waren van de vermogensverschuiving. Het hof overwoog dat een directeur-grootaandeelhouder die voorafgaand aan een onroerend goedtransactie met een vennootschap waarin hij een belang heeft, een onafhankelijk taxateur de opdracht geeft om de waarde van de onroerende zaak vast te stellen, er in beginsel op mag vertrouwen dat die taxateur de waarde juist vaststelt, indien hij bij de keuze van en samenwerking met die taxateur de vereiste zorgvuldigheid in acht neemt. Dit kan anders zijn indien hij op grond van de inhoud van het taxatierapport of op andere gronden redelijkerwijs moet begrijpen dat de vastgestelde waarde onjuist is of het rapport niet zorgvuldig tot stand gekomen is.
In deze zaak was het hof van oordeel dat de broer zorgvuldig had gehandeld bij de keuze van de taxateur en de samenwerking met deze taxateur. Bovendien gaf de inhoud van het rapport geen reden om redelijkerwijs aan het oordeel van de taxateur te twijfelen. Andere redenen om de juistheid van de taxatie of de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het taxatierapport in twijfel te trekken waren er evenmin. Volgens het hof mocht de broer er daarom op vertrouwen dat de door hem ingeschakelde taxateur de waarde juist had vastgesteld.
Het hof concludeerde dat er geen sprake was van een (verkapte) winstuitdeling en stelde de broer in het gelijk.
Deze uitspraak is thans niet gepubliceerd.
Hof Den Bosch 29-1-2008, nr. 06/0445

