De inspecteur kan onder omstandigheden over het lopende jaar een voorlopige aanslag -waaronder ook een voorlopige teruggaaf- inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vaststellen. In dat geval neemt hij de gegevens die zijn gebruikt voor de meest recente belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar als uitgangspunt.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Met ingang van 2005 wordt een voorlopige aanslag veelal automatisch vastgesteld en is een jaarlijks verzoek niet meer nodig. Gelijktijdig is de regeling gewijzigd. Een voorlopige teruggaaf wordt sindsdien niet meer automatisch gevolgd door een definitieve aanslag (ook wel primitieve aanslag genoemd). In zo’n geval wordt na afloop van de reguliere aanslagtermijn (drie jaar na het belastingjaar) geacht een primitieve aanslag te zijn vastgesteld. Dit wordt ook wel een fictieve aanslag genoemd. Blijkt de voorlopige teruggaaf naderhand te hoog te zijn en heeft de inspecteur geen definitieve aanslag opgelegd, dan kan hij het te veel teruggegeven bedrag van de voorlopige teruggaaf alleen corrigeren door middel van een navorderingsaanslag. In dat geval moet wel zijn voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een navorderingsaanslag. Een van de bekendste en belangrijkste voorwaarden is de aanwezigheid van een nieuw feit dat de inspecteur daarvoor niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend hoefde te zijn. Illustratief hiervoor is een uitspraak van Hof Den Haag.
In die procedure stonden alle inkomens- en vermogensgegevens (spaartegoeden bij de bank en een eigen woning) de inspecteur in principe tot zijn beschikking vanwege de renseigneringsplicht van banken. Er was daarom geen sprake van een nieuw feit. Het hof was van oordeel dat de inspecteur het te veel teruggegeven bedrag niet kon navorderen.
De inspecteur kan onder omstandigheden over het lopende jaar een voorlopige aanslag -waaronder ook een voorlopige teruggaaf- inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vaststellen. In dat geval neemt hij de gegevens die zijn gebruikt voor de meest recente belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar als uitgangspunt. Met ingang van 2005 wordt een voorlopige aanslag veelal automatisch vastgesteld en is een jaarlijks verzoek niet meer nodig. Gelijktijdig is de regeling gewijzigd. Een voorlopige teruggaaf wordt sindsdien niet meer automatisch gevolgd door een definitieve aanslag (ook wel primitieve aanslag genoemd). In zo’n geval wordt na afloop van de reguliere aanslagtermijn (drie jaar na het belastingjaar) geacht een primitieve aanslag te zijn vastgesteld. Dit wordt ook wel een fictieve aanslag genoemd.
Blijkt de voorlopige teruggaaf naderhand te hoog te zijn en heeft de inspecteur geen primitieve aanslag opgelegd, dan kan hij het te veel teruggegeven bedrag van de voorlopige teruggaaf alleen corrigeren door middel van een navorderingsaanslag. In dat geval moet wel zijn voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een navorderingsaanslag. Een van de bekendste en belangrijkste voorwaarden is de aanwezigheid van een nieuw feit dat de inspecteur daarvoor niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend hoefde te zijn. Illustratief hiervoor is een uitspraak van Hof Den Haag. De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt.
Een man had over het jaar 2002 een verzoek om een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting gedaan, waarin hij een inkomen van nihil vermeldde. Dit leidde tot een teruggaaf van 1.648 euro en betrof de uitbetaling van de heffingskorting aan de minstverdienende partner. De man diende in juli 2007 zijn aangifte inkomstenbelasting over 2002 in. In deze aangifte was aangegeven dat een deel (EUR 369) van de inkomsten uit eigen woning (EUR 1.107) aan de man was toegerekend en dat het inkomen uit sparen en beleggen EUR 239 bedroeg. De inspecteur legde kort daarna een primitieve aanslag op naar een te betalen bedrag van EUR 188. De man maakte vergeefs bezwaar tegen deze aanslag en ging in beroep bij Rechtbank Den Haag.
De rechtbank constateerde dat de man en de inspecteur het erover eens waren dat de primitieve aanslag moest worden beschouwd als een navorderingsaanslag. In dat geval kon de inspecteur alleen navorderen als sprake was van een nieuw feit of als de voorlopige teruggaaf tot een onjuist bedrag was verrekend. Volgens de rechtbank was echter geen sprake van een onjuiste verrekening van de voorlopige teruggaaf. De rechtbank stelde verder vast dat de inkomsten die ertoe leidden dat de voorlopige teruggaaf in feite te hoog was geweest, de inspecteur bekend konden zijn. Op basis van de renseigneringsplicht van de banken stonden alle inkomens- en vermogensgegevens van de man (spaartegoeden bij de bank en een eigen woning) de inspecteur in principe tot zijn beschikking. Er was daarom geen sprake van een nieuw feit. De rechtbank was van oordeel dat de inspecteur het teveel teruggegeven bedrag van EUR 188 niet kon navorderen.
De inspecteur ging in hoger beroep bij Hof Den Haag. Hij stelde opnieuw dat de mogelijkheid tot navorderen zonder nieuw feit openstaat in alle gevallen waarin een voorlopige teruggaaf aanvankelijk onjuist is vastgesteld. Het hof was het daar niet mee eens. Het hof liep de (toenmalige, voor het jaar 2002 geldende) wetsbepalingen voor een voorlopige teruggaaf en navordering na en stelde vast dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing had genomen.

