Tussen partijen is niet in geschil dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. De vraag die de Centrale Raad van Beroep dient te beantwoorden is of het nemen van het wijzigingsbesluit van 6 maart 2006 lopende de behandeling van het beroep, tegen welk besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het beroep is geacht mede te zijn gericht, ertoe leidt dat de voor de rechtbank als redelijk geachte behandelingsduur opnieuw een aanvang heeft genomen.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Slechts in uitzonderingssituaties kan een deel van de duur van een fase in de procedure aan een andere instantie worden toegerekend dan de instantie die in die fase gehouden was tijdig te beslissen of te oordelen. Van een dergelijke uitzonderingssituatie is in dit geding geen sprake. Het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb, noch de rechtspraak van de Raad over dit onderwerp noopt ertoe dat de periode tussen de dag waarop het beroepschrift bij de rechtbank is ingediend en het besluit van 6 maart 2006, voor rekening van het Uwv zou moeten komen. Het besluit van 6 maart 2006 was voorts geen omstandigheid die de rechtbank ertoe heeft genoodzaakt de behandeling van het beroep gedurende enige tijd stil te leggen.

