Rechtbank Zwolle heeft beslist dat een gemeente de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaarfase niet (alleen) mocht baseren op de hoogte van het in geschil zijnd belastingbedrag. Dat is kennelijk onredelijk. De vergoeding moet namelijk gebaseerd zijn op de verrichte werkzaamheden en dan is de gecompliceerdheid van de zaak maatgevend. De mate van gecompliceerdheid in WOZ-zaken is niet afhankelijk van het financiële belang.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Wanneer u bezwaar maakt tegen een beslissing van een bestuursorgaan (zoals de belastinginspecteur of de bevoegde ambtenaar van de gemeente) en u bij uitspraak op bezwaar in het gelijk wordt gesteld, heeft u onder voorwaarden recht op een vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar. Er moet dan onder meer sprake zijn van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In beginsel bestaat recht op een procesvergoeding volgens vastgestelde bedragen en wegingsfactoren (het puntensysteem). De waarde per punt in de bezwaarfase bedraagt € 218 (jaar 2011) en € 437 (jaar 2011) voor de (hoger) beroepsfase.
Bij gegrondbevinding van het bezwaar mag het betreffende bestuursorgaan de forfaitaire proceskostenvergoeding eventueel matigen door toepassing van zogeheten wegingsfactoren. Een wegingsfactor zegt iets over het gewicht van de betreffende zaak. Zeer zware zaken hebben de factor 2, zware zaken de factor 1,5, gemiddelde zaken de facor 1, lichte zaken de factor 0,5 en zeer lichte zaken hebben de factor 0,25. De hoogte van de proceskostenvergoeding volgt uit de vermenigvuldiging van de waarde per punt per proceshandeling in de bezwaarfase die voor één punt meetellen met de toegepaste wegingsfactor.
Rechtbank Zwolle heeft onlangs uitspraak gedaan over de toe te passen wegingsfactor in een bezwaarprocedure waarbij de WOZ-waarde van een woning in het geding was. De woningeigenaar had daarbij een taxatierapport laten opstellen. Nadat de zaak bij de rechtbank aanhangig was gemaakt, bereikten partijen over de WOZ-waarde een compromis maar niet over de door de gemeente te vergoeden proceskosten voor de bezwaarfase. Het geschil betrof de toe te kennen wegingsfactor. De man was van mening dat factor 1 van toepassing was en de gemeente factor 0,5. De gemeente baseerde de toegekende wegingsfactor op een beleidsregel volgens welke de factor afhankelijk was het financiële belang van de zaak. Over de vergoeding van de kosten van het deskundigenrapport (€ 241,77) bestond wel overeenstemming.
Rechtbank Zwolle was van oordeel dat een gemeente de hoogte van de kostenvergoeding in de bezwaarfase niet (alleen) mocht baseren op de hoogte van het in geschil zijnd belastingbedrag. Dat is kennelijk onredelijk. De vergoeding moet namelijk gebaseerd zijn op de verrichte werkzaamheden en dan is de gecompliceerdheid van de zaak maatgevend. De mate van gecompliceerdheid in WOZ-zaken is niet afhankelijk van het financiële belang. De rechtbank gaf vervolgens aan volgens welke maatstaven een wegingsfactor aan een procedure wordt gegeven. Een zaak waarin het gaat om inhoudelijke standpunten kwalificeert in beginsel als ‘gemiddeld’. Zo’n zaak krijgt als wegingsfactor een factor 1. Bij alleen formele kwesties, veelal leidend tot een niet-ontvankelijkverklaring, of indien uitsluitend nog over de proceskostenvergoeding wordt geprocedeerd, is een lagere factor op zijn plaats.
In de onderhavige procedure ging het in de bezwaarfase om een inhoudelijke kwestie. Naar het oordeel van de rechtbank had de gemeente daarom niet in redelijkheid de wegingsfactor 0,5 kunnen toepassen. De rechtbank verklaarde het beroep van de woningeigenaar daarop gegrond en kende hem een proceskostenvergoeding toe voor de bezwaar- en de beroepsfase.
Bezwaarfase
– kosten van indienen bezwaarschrift: € 218 (1 punt, wegingsfactor 1);
– kosten van deskundigenrapport € 241,77;
Totaal: € 459,77
Beroepsfase
– kosten van indienen beroepschrift: € 437 (1 punt, wegingsfactor 1);
– verschijnen ter zitting: € 437 (1 punt, wegingsfactor 1);
Totaal: € 874
Daarnaast kreeg de woningeigenaar ook het griffierecht ad € 41 vergoed.

