Uit de tekst van artikel 6, aanhef en onder c, van de WWB – in het bijzonder de woorden ‘nog niet mogelijk’ – in verbinding met artikel 6, aanhef en onder b, van de WWB vloeit voort dat voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering voor een aantal uur per week, is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat de belanghebbende op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, kan verkrijgen. Dit brengt mee dat, indien die mogelijkheid niet bestaat, de belanghebbende niet kan worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De geschiedenis van de totstandkoming van de WWB leidt niet tot een ander oordeel.
Uit het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies blijkt dat bij appellant sprake is van meervoudige problematiek. Appellant heeft zowel psychische als lichamelijke klachten waardoor, in combinatie met zijn leeftijd van 58 jaar, gebrekkige taalbeheersing, gebrek aan opleiding en gebrek aan werkervaring sprake is van een, door de arbeidsdeskundige als zeer groot bestempelde afstand, tot de arbeidsmarkt. De verzekeringsarts acht appellant in staat om dagelijks enkele uren per dag met lichte oefeningen bezig te zijn, maar beantwoordt de vraag of daardoor reguliere arbeid in het verschiet komt te liggen, ontkennend. Hij wijst er daarbij op dat het afgelopen jaar wat dat betreft geen ontwikkeling heeft laten zien en niets erop wijst dat daarop in de toekomst wel perspectief is. Ook de arbeidsdeskundige oordeelt dat geen reëel perspectief bestaat op re-integratie in regulier werk.
Uit deze adviezen blijkt dat er ten tijde van belang geen grond was aan te nemen dat voor appellant de mogelijkheid bestaat op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, te verkrijgen. Dit brengt mee dat het college appellant bij het besluit van 15 september 2010 ten onrechte heeft verplicht deel te nemen aan een voorziening gericht op sociale activering voor maximaal vijftien uur per week.

