De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 26 februari 2013 dat gelet op het tijdelijke karakter van de wijziging van de woonsituatie geen sprake was van een verplaatsing van het feitelijke woonadres.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Vaststaat dat de woning op adres 1 tijdens de in geding zijnde periode is gerenoveerd en dat deze woning toentertijd, met name gedurende de eerste en de laatste weken van die periode vanwege het ingrijpende karakter van de verbouwing, feitelijk niet of niet goed bewoonbaar was. Door appellant is erkend dat hij in de periode in geding de nachten niet of nagenoeg niet in deze woning heeft doorgebracht. Dat laatste blijkt ook uit de vanaf november 2009 verrichte observaties door de sociale recherche. Uit diezelfde observaties blijkt echter evenzeer dat appellant overdag ook regelmatig in of rond de woning op adres 1 aanwezig was. Volgens appellant was dit zelfs dagelijks het geval, naar zijn zeggen om ten aanzien van de verbouwingswerkzaamheden een oogje in het zeil te houden, om huishoudelijke activiteiten (waaronder schoonmaak en het wassen van kleding) te verrichten en om post op te halen en zaken te regelen. Vastgesteld moet verder worden dat de door de buurtbewoners afgelegde verklaringen niet eenduidig zijn en overigens onvoldoende concreet om daarop de conclusie te baseren dat appellant ten tijde in geding niet op adres 1 woonde, ook niet in samenhang met de overige feiten en omstandigheden. Daarbij moet worden aangetekend dat de lagere verbruiksgegevens van elektriciteit en water (het verbruik van gas was zelfs hoger dan gemiddeld) van de woning op adres 1 voor een belangrijk deel kunnen worden verklaard door de renovatiewerkzaamheden en de door appellant op zichzelf niet betwiste verminderde aanwezigheid in de woning op dit adres. (…)
De Raad stelt vast dat appellant ten tijde in geding weliswaar tijdelijk en met name de nachten elders, onderscheidenlijk bij een vriendin in Hulst (adres 2) en een vriend in Terneuzen (adres 3) heeft verbleven, maar niettemin moet worden geoordeeld dat hij zijn woonadres op adres 1 ook toen heeft behouden. Daarbij is van belang dat de door de renovatie ingegeven wijziging van de woon- en verblijfsituatie van appellant een vooropgezet tijdelijk karakter had. Van een verplaatsing van het feitelijke woonadres was geen sprake. Ten aanzien van dit laatste acht de Raad nog van betekenis dat appellant vrijwel dagelijks in of bij zijn woning op adres 1 aanwezig was en daar ook voor derden, waaronder het college, bereikbaar was en is gebleven.

