De Nederlandse faciliteit van geruisloze omzetting van een eenmanszaak of personenvennootschap (zoals een vof) in een bv of nv discrimineert buitenlandse belastingplichtigen, zo concludeert advocaat-generaal Niessen (A-G). Een buitenlandse belastingplichtige met een onderneming in Nederland krijgt een ‘conserverende verhoging’ van zijn aanslag inkomstenbelasting in het omzettingsjaar en bij de omzetting gelden bovendien extra voorwaarden. Bij binnenlands belastingplichtigen is dit allemaal niet aan de orde. De A-G meent dat daardoor indirecte discriminatie optreedt op grond van nationaliteit, hetgeen strijdig is met EU-recht. Het is nu wachten op het oordeel van de Hoge Raad.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De Nederlandse faciliteit van geruisloze omzetting van een eenmanszaak of personenvennootschap (zoals een vof) in een bv of nv discrimineert buitenlandse belastingplichtigen, zo concludeert advocaat-generaal Niessen (A-G). De A-G heeft onlangs conclusie genomen in de procedures waarin Hof Arnhem op 8 mei 2012 uitspraak had gedaan.
Een buitenlandse belastingplichtige met een onderneming in Nederland krijgt een ‘conserverende verhoging’ van zijn aanslag inkomstenbelasting in het omzettingsjaar en bij de omzetting gelden bovendien extra voorwaarden. De conserverende verhoging (onder verlening van betalingsuitstel) dient te voorkomen dat Nederland een gedeelte van de inkomstenbelastingclaim op de stille reserves en goodwill van de omgezette onderneming verliest. Bij binnenlands belastingplichtigen is dit allemaal niet aan de orde.
De A-G is van mening dat een buitenlandse ‘omzetter’ op eenzelfde wijze moet worden behandeld als een binnenlandse omzetter die vervolgens emigreert. Voor de toepassing van de geruisloze omzetting bevinden binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen zich in een vergelijkbare situatie. De conserverende verhoging van de aanslag en de extra voorwaarden bij een geruisloze omzetting, die alleen gelden voor buitenlandse belastingplichtigen, zijn voor deze laatsten nadelig. Dit leidt tot een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit in de zin van het Europese Verdrag. Er zijn geen rechtvaardigingsgronden om aan een buitenlandse omzetter bezwarendere voorwaarden op te leggen dan aan een binnenlandse omzetter.
De A-G meent dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen, door te beslissen dat de beschikking ‘omzetting’ op twee punten wordt gewijzigd. Deze houden in dat:
– de verplaatsing van de feitelijke leiding van de vennootschap naar een ander land dan Nederland niet leidt tot beëindiging van het betalingsuitstel, en
– het nog openstaande geconserveerde bedrag ter zake van het claimverlies als gevolg van de geruisloze omzetting na verloop van tien jaar wordt kwijtgescholden.
Het is nu wachten op het oordeel van de Hoge Raad.

