Sinds 1 januari 2004 bestaat in de vennootschapbelasting de zogeheten thincapregeling, die bij een teveel aan vreemd vermogen ertoe kan leiden dat een dochtervennootschap niet alle rente van leningen van verbonden lichamen (groepsmaatschappijen in de zin van het BW) in aftrek kan brengen.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
In voorkomende gevallen blijken vennootschappen deze renteaftrekbeperking als een onrechtvaardigheid te ervaren. Illustratief hierbij is een uitspraak van Hof Den Haag waarbij een bv niet alle rente van een groepslening in aftrek kon brengen.
De bv stelde dat de thincapregeling op verschillende punten leidt tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hof wees dat standpunt af en was van oordeel dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de vormgeving van de thincapregeling. De bv was verder van mening dat de thincapregeling ook in strijd komt met de beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De bv verweet de inspecteur uitvoering te hebben gegeven aan (naar opvatting van de bv) onredelijk uitwerkende wetgeving. Het hof merkte hierover op dat het de inspecteur niet vrijstaat om op grond van belangenafweging een juiste toepassing van de wet achterwege te laten. Verder merkte het hof op dat het de rechter niet is toegestaan om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.
Sinds 1 januari 2004 bestaat in de vennootschapbelasting de zogeheten thincapregeling, die bij een teveel aan vreemd vermogen ertoe kan leiden dat een dochtervennootschap niet alle rente van leningen van verbonden lichamen (groepsmaatschappijen in de zin van het BW) in aftrek kan brengen. In ons nieuwsbericht van 16 november 2009 hebben we in hoofdlijnen de thincapregeling weergegeven. In voorkomende gevallen blijken vennootschappen deze renteaftrekbeperking als een onrechtvaardigheid te ervaren. Illustratief hierbij is een uitspraak van Hof Den Haag. De zaak was als volgt.
Een in 1918 opgerichte bv was in 2001 een lening aangegaan bij haar moedervennootschap die alle aandelen in de bv hield. Beide vennootschappen waren in Nederland gevestigd. De hoofdsom van de lening bedroeg € 453.780 en de rente 5% per jaar. Op 31 december 2004 bedroeg de lening € 745.000 nominaal. In dat jaar was de bv € 35.750 aan rente verschuldigd. De inspecteur liet bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting 2004 van de bv op basis van de thincapregeling een rentebedrag van € 8.387 niet in aftrek toe. De bv stelde vergeefs bezwaar en beroep in tegen de aftrekbeperking en ging in hoger beroep bij Hof Den Haag.
De bv stelde dat de thincapregeling ongeoorloofde discriminatie tot gevolg heeft, omdat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld en ongelijke gevallen gelijk zonder dat daarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. De bv stelde dat ze hetzelfde wordt behandeld als vennootschappen die een schuld hebben aan een verbonden lichaam binnen een concern dat wel de mogelijkheid heeft om haar belastinggrondslag te verschuiven of uit te hollen (een ongelijk geval) en dat zij anders wordt behandeld dan vennootschappen die een schuld hebben aan een verbonden natuurlijk persoon (gelijk geval).
Het hof stelde voorop dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt in het aanmerken van ongelijke gevallen als gelijke gevallen en het verschillend behandelen van gelijke gevallen als daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestaat. Het hof wees daarbij op een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 22 juni 1999.
Uit de wetsgeschiedenis maakte het hof op dat de thincapregeling is bedoeld voor vennootschappen die in verhouding tot het concern waarvan zij deel uitmaken bovenmatig met vreemd vermogen zijn gefinancierd en is gericht tegen grondslagverschuiving of grondslaguitholling in concernverband. Op basis hiervan was het hof het niet eens met de stelling van de bv dat deze in een andere positie verkeert dan een vennootschap die schulden heeft aan een verbonden lichaam binnen een concern dat de mogelijkheid heeft om de belastinggrondslag te verschuiven of uit te hollen. Ook in een situatie als in de onderhavige procedure kan de gekozen financieringswijze door fiscale motieven worden beïnvloed, bijvoorbeeld als de moedervennootschap over compensabele verliezen beschikt en deze eventueel dreigen te verdampen. De wetgever was naar het oordeel van het hof binnen de haar toekomende beoordelingsvrijheid gebleven door een situatie als in de onderhavige procedure gelijk te stellen aan een situatie waarin een vennootschap deel uitmaakt van een groter (internationaal) concern.
De bv merkte vervolgens op dat de rente op een lening van een verbonden aandeelhouder-natuurlijk persoon niet onder de thincapregeling valt en dat daardoor sprake is van ongelijke behandeling. Het hof was op dit punt eveneens van oordeel dat de wetgever binnen zijn beoordelingsvrijheid was gebleven door een verbonden lichaam niet gelijk te achten aan een verbonden natuurlijk persoon.
De bv stelde ten slotte nog dat de thincapregeling ook in strijd komt met de beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De bv verweet de inspecteur uitvoering te hebben gegeven aan (naar de opvatting van de bv) onredelijk uitwerkende wetgeving. Het hof merkte hierover op dat het de inspecteur niet vrijstaat om op grond van belangenafweging een juiste toepassing van de wet achterwege te laten. Verder merkte het hof op dat het de rechter niet is toegestaan om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Ook het hoger beroep leidde voor de bv niet tot resultaat.
Bron: Hof Den Haag, 3-11-2009, nr. 08/00254 (gepubliceerd 11-1-2010).

