Op 9 december 2011 oordeelde de Hoge Raad dat de rechtsverhouding van partijen, gelet op de omstandigheden van het geval, aangemerkt moest worden als een arbeidsverhouding als bedoeld in het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA). De zaak verliep als volgt.
Het verzorgen van medische teletekstberichten leidt tot een arbeidsverhouding in de zin van artikel 1 onder b sub 2 BBA.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Feiten
Werknemer heeft vanaf 1978 tot 1 juni 2008 werkzaamheden verricht voor de TROS. Aanvankelijk ging het daarbij om het bijdragen aan diverse door de TROS verzorgde radioprogramma’s, later – vanaf 1983 – om het redigeren van de dagelijkse medische berichtgeving op TROS-teletekst. Voor dat laatste ontving werknemer een bedrag van laatstelijk € 38,57 per geplaatst bericht, overeenkomende met een bedrag van € 1.157,10 per maand. Vanaf 1984 tot 2002 is werknemer tevens als parttime huisarts werkzaam geweest. Door de jaren heen heeft werknemer verder diverse activiteiten op cultureel en literair gebied ontwikkeld, waaronder het exposeren van eigen fotomateriaal en het schrijven van een aantal (kinder)boeken en verhalenbundels. Per 1 juni 2008 zijn de werkzaamheden bij de medische rubriek op teletekst beëindigd. Op 19 november 2009 heeft de TROS, voor zover sprake was van een arbeidsrelatie in de zin van het BBA, die relatie opgezegd tegen 1 januari 2010. Werknemer was van mening dat hij als werknemer in de zin van artikel 1 onder b sub 2 BBA moest worden gekwalificeerd. TROS diende het loon door te betalen totdat de arbeidsverhouding rechtsgeldig was opgezegd. Werknemer voerde daartoe aan dat hij persoonlijk de arbeid zou hebben verricht, nooit meer dan twee opdrachtgevers heeft gehad en dat de werkzaamheden niet van bijkomstige aard waren.
Beoordeling kantonrechter en hof
De kantonrechter heeft de vordering van werknemer afgewezen. Het hof daarentegen heeft de vordering van werknemer toegewezen en TROS veroordeeld tot doorbetaling van het gebruikelijke overeengekomen honorarium tot 1 januari 2010. Het hof heeft de criteria uit artikel 1 onder b sub 2 BBA als volgt besproken. Allereerst was er naar het oordeel van het hof sprake van persoonlijke arbeid. Met betrekking tot het tweede vereiste, de vraag of werknemer voor meer dan twee anderen werkzaamheden heeft verricht, was het hof het volgende van oordeel. De andere werkzaamheden die werknemer verrichtte waren geen vergelijkbare werkzaamheden zodat van voorstaande geen sprake kon zijn. Tot slot werd het derde vereiste, de vraag of de arbeid van werknemer voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is geweest, ontkennend beantwoord. Uit het overzicht van de accountant bleek dat vanaf 2002 de werkzaamheden voor de TROS de grootste bron van inkomsten uit arbeid vormden.
Beoordeling Hoge Raad
In cassatie klaagde de TROS onder meer dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft geschonken aan de partijbedoeling en heeft miskend dat de werkzaamheden van werknemer voor TROS slechts van bijkomstige aard waren, indien men de hele periode van de arbeidsverhouding beziet. De Hoge Raad overwoog als volgt. Het BBA beoogt bescherming te bieden aan de daarin omschreven ‘werknemers’, en dat brengt mee dat de in artikel 1 onder b sub 2, genoemde criteria objectief van aard zijn (met uitzondering van het vereiste van het persoonlijk verrichten van de arbeid, omdat daarbij van belang is wat partijen zijn overeengekomen en derhalve ook de – subjectieve – partijbedoelingen een rol kunnen spelen.) De partijbedoelingen en andere omstandigheden die daarmee samenhangen en die volgens het middel tezamen tot een ander oordeel zouden moeten leiden, heeft het hof dan ook terecht buiten beschouwing gelaten, behalve bij zijn oordeel in het kader van de vraag of de overeenkomst tussen partijen een verplichting voor werknemer meebracht de werkzaamheden persoonlijk te verrichten, waar het heeft onderzocht wat partijen dienaangaande bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond. Tot slot brengt de vermelde strekking van het BBA mee dat het voor bescherming van betrokkene op het moment van beëindigen van de arbeidsverhouding, vereist maar ook voldoende is dat op dat moment aan genoemde criteria wordt voldaan. Het hof heeft dus terecht onderzocht of ten tijde van de beëindiging van de arbeidsverhouding sprake was van werkzaamheden van al dan niet bijkomstige betekenis, en het hoefde mitsdien daarom geen onderzoek te doen naar de financiële situatie van werknemer in 1978 of 1983. Het cassatieberoep werd verworpen door de Hoge Raad.
mr. Mattia Savenije, Van Diepen Van der Kroef Advocaten

